Sint en zeurpiet.

Ieder jaar zit ik hier in Ierland weer met verbazing naar de zwarte pieten discussie te kijken. Een hoop volwassenen die met verschillende meningen het hardst lopen te roepen dat de ander een kinderfeestje verpest. De voorstanders van zwarte piet zijn een stelletje zeikerds want het maakt kleine kinderen niet uit of er een roetpiet of zwarte piet snoep rondstrooit en de tegenstanders zijn ook een stelletje zeikerds want het komt in die kinderhoofdjes niet op dat het racistisch zou kunnen zijn. De tegenstanders hebben echter wel paar belangrijke punten waar ik het helemaal mee eens ben en dat is dat “blackface” in een multiculturele samenleving als kwetsend kan worden ervaren en internationaal gevoelig ligt en daardoor moeilijk te verkopen is, kijk maar naar Canada. Dus wat is er in ’s hemelsnaam mis met een roetveegpiet? Het zijn volwassenen die lopen te drammen. Niet kinderen.

Maar laten we eens naar het hele feest kijken want daar is sowieso van alles mee mis. Allereerst geef je kinderen een raar begrip van geschiedenis en plaatsing van historische figuren. Sint Nicolaas werd rond het jaar 280 geboren in Patara, Lycia, dat nu in Turkije ligt. Hij was bisschop van Myra, wat tegenwoordig ook in Turkije ligt en nu Demre heet. Hij is waarschijnlijk op 6 december 343 overleden. We vieren dus niet zijn verjaardag maar zijn sterfdag. (Misschien moeten we hem maar in een lijkkoets laten aankomen).

De beste man is nooit van zijn leven in Spanje geweest en was hij wel in Spanje geweest dan waren de Moren, waar zwarte piet waarschijnlijk op gebaseerd is, er nog niet geweest. Die staken pas in 711 de straat van Gibraltar over en vestigden zich in Spanje alwaar ze bijna 800 jaar aanwezig bleven. De Berber-Spaanse moslims, die overigens lang niet allemaal een een donkere kleur hadden, heersten 375 jaar over zo’n driekwart van Spanje, waarna ze voor een verdere 160 jaar over de helft van Spanje regeerden om voor de laatste 244 jaar alleen het gebied rond Granada bezet te houden. Daarna was het helemaal afgelopen met de moslimoverheersing in Spanje. De overwinning op de Moren wordt in sommige delen van Spanje nog gevierd met het los moros y cristianos festival waarbij men normaal gesproken ook de Moren terecht niet met zwarte gezichten uitbeeld want veel Moren waren dus lichtgekleurde Noord-Afrikanen. Het waren destijds overheersers en zeker geen knechten. Daarbij moet nog gezegd worden dat zij destijds beschaving naar Europa hebben gebracht want de Europeanen waren toen nog pummels die weinig verstand hadden van wetenschap. In sterrenkunde en geneeskunde bijvoorbeeld waren de Noord-Afrikanen veel verder. Later is dat grotendeels vanwege hun achterlijke religie weer teniet gedaan en vooral tijdens de inquisitie vanaf de laat 15e eeuw had het achterlijke Christelijke geloof hetzelfde effect en werden veel wetenschappers, kruidengenezers en denkers om zeep geholpen vanwege hekserij en ketterij. Doch dit terzijde. Afrikaanse pages doken pas vanaf de 16e eeuw in Europa op (vandaar het rare pakje van zwarte piet) en de eerste keer dat Sinterklaas met een zwarte helper werd afgebeeld was pas in de 19e eeuw (1850)  dus zo oud is die traditie niet.

Het Sinterklaasfeest is een rare mengelmoes van allerlei vage verhalen. Laten we het dus maar goed op de schop gooien. Aangezien Nederlanders verzot blijken op Amerikaanse uitdrukkingen in de Nederlandse taal die er te pas en te onpas in worden gegooid, nemen we het Amerikaanse kerstfeest met cadeautjes en Santa Claus voor de kinderen over en maken we van Sinterklaas een feestje voor volwassenen want die schijnen zich er het meest druk over te maken. We laten dan Sinterklaas per auto uit Turkije komen met een Turkse minister die we dan meteen weer terug sturen zonder haar uit de auto te laten, om de ene keer dat de Nederlandse staat wel durfde door te pakken te vieren en de Turks-Nederlandse Erdoğan tegenstanders een hart onder de riem te steken. We laten dan een vrouw met zwart masker met een zweepje op de rug van Sinterklaas rijden. Dat spaart meteen weer een paard uit en geeft vrouwen die altijd door de katholieke kerk zijn vernederd een uitlaatklep. Tegelijkertijd kunnen we er dan een klein sm feestje van maken want sm’ers zijn in ons poldermodel nog niet van een nationale feestdag voorzien waarbij het ook in de smaak zal vallen bij al die Nederlanders die opgewonden werden van vijftig tinten slecht geschreven. Iedereen die dan nog roept dat zwarte piet moet blijven en daarvoor demonstreert, krijgt van gemaskerde helpers met de zweep, verplichte geschiedenisles en les in internationale betrekkingen vanwege hun domheid: lessen die ze overigens zelf moeten betalen want de beste manier om stoute Nederlanders te raken is in hun portemonnee.

Het enige nadeel van het verdwijnen van Sinterklaas als kinderfeest is dat het nog de enige legale manier is voor een pedofiele man om een klein kind op schoot te trekken. Wordt er toch nog een groep benadeeld.

sint-en-piet

Radioherinneringen.

De eerste Nederlandse radio-uitzending vond 100 jaar geleden plaats, vandaar deze blog.

Mijn radio-beleving gaat terug tot mijn kinderjaren. Mijn ouders hadden een buizenradio van een Duits merk in de achterkamer in een wandmeubel. Aan de voorkant van de radio waren allerlei zenders van over de hele wereld en freqenties verlicht te zien. Ik ging regelmatig met mijn oor vlak voor de radio aan de zenderknop zitten draaien terwijl ik de lange en korte golf, am en ukw, wat in het Nederlands fm is, bijlangs ging. Ik ving uitzendingen in vreemde talen op, soms Russisch, veel Duits (niet zo vreemd in de provincie Groningen), Amerikaans-Engels (waarschijnlijk radio van de Amerikaanse strijdkrachten in Duitsland), Brits-Engels en talen die ik niet kon thuisbrengen). Toen mijn ouders een moderner radiomeubel met ingebouwde pick-up aanschaften, verhuisde de buizenradio naar mijn slaapkamer, alwaar het jaren heeft geleefd en naast radio ook handig als schemerlamp dienstdeed want wat straalde dat ding een licht uit. Daarnaast bezat ik een klein transistorradiootje waarin ik een oordopje kon doen zodat ik stiekem onder de dekens nog ’s avonds laat, in het donker naar radioprogramma’s kon luisteren. Af en toe was er een spannend radiohoorspel op waar ik erg graag naar luisterde.

Al op tienerleeftijd ontdekte ik de VPRO. Zij maakten spannende radio op de vrijdagavond. De Hoogwerker met Cor Galis en Peter Flik, waarbij ze met een hoogwerker bij flatbewoners naar binnen gingen en later op de avond het programma Germaine sans gêne, waarbij mensen naar Germaine Groenier konden inbellen met seksproblemen. Ik heb er heel wat van geleerd en was stiekem een beetje verliefd op de stem van Germaine.

Een ander programma waar ik trouw naar luisterde was het weeshuis van de hits met Peter van Bruggen en het weesjongetje Morrison (echt waar guppies, echt waar). Ze hadden ook een club waar ik toen lid van ben geworden en waarvan ik het guppieblad ontving. Peter van Bruggen heeft op het internet een afleveringenarchief opgezet waarvoor hulde. Het is hier te vinden.

De avondspits met Frits Spits was ook vaste prik en hij is tegenwoordig op de zaterdag te beluisteren met het programma de taalstaat.

Ik hield van hardrock en heavy metal dus luisterde ik naar Alfred Lagarde’s betonuur en Hanneke Kappen’s Stampij.

Ik had een brede smaak en was al luisterend ook op radio 4 te vinden voor klassieke muziek en wereldmuziek. VPRO’s wandelende tak was een programma waar ik regelmatig naar luisterde.

Ach, er waren veel meer programma’s en van sommige – vooral VPRO programma’s –  kocht ik achteraf de cassettebandjes, zoals van een interview met Marten Toonder.

Tegenwoordig woon ik in Ierland en luister regelmatig naar de Ierse radio maar ook nog regelmatig naar de Nederlandse radio via het internet. Het leuke is dat je tegenwoordig ook podcasts van radioprogramma’s terug kunt luisteren en het wordt eentonig maar de VPRO blinkt hierin weer uit. De marathoninterviews vind ik bijvoorbeeld erg prettig om naar te luisteren wanneer ik foto’s aan het bewerken ben.

De radio is gelukkig na 100 jaar nog springlevend, ondanks al het aanbod van allerlei andere media. Hiep, hiep, hoera voor de radio en dat ze nog lang mag leven.

Buizenradio.

Als kind vond ik al die plaatsen en zenders fascinerend.

buizenradio

De buizenradio die ook als schemerlamp kon dienstdoen.

Het oneindige verhaal.

Ik heb een oorwurm: het lied “The NeverEnding Story”, van de gelijknamige film uit 1984, in de originele versie gezongen door Limahl van de band Kajagoogoo met als achtergrondzangerers Beth Anderson. Mijn oorwurm komt echter uit de laatste aflevering van het derde seizoen van de in de jaren 80 geplaatste serie Stranger Things waarin Dustin, een van de hoofpersonen, via een radioverbinding met zijn op vakantie ontmoette vriendin Suzie dit lied als een duet zingt. Het is een grappig en absurd moment in de aflevering. Ik word er met deze oorwurm wakker en ga er mee naar bed. Ach, echt vervelend is het niet en het heeft als voordeel dat het mij het boek weer in herinnering bracht.

De eerste keer dat ik het boek las was in 1980. Een Duits vakantievriendinnetje was er weg van en ze vond dat ik “Die unendliche Geschichte” zeker moest lezen. Mijn Duits was toen erg goed en ik had slechts af en toe het woordenboek nodig. Het boek kwam twee jaar later uit in Nederlandse vertaling. Ik kocht de zevende druk van de Nederlandse vertaling in 1985, nadat in 1984 de film was uitgekomen. Ik heb het in de jaren 90 nog eens herlezen.

Het boek werd geschreven door Michael Ende en geldt als een klassieker in de kinder – en jeugdliteratuur. Het verhaal gaat over de 10 of 11 jarige Bastiaan die het moeilijk heeft met het overlijden van zijn moeder en geen geweldige relatie heeft met zijn vader. Op school wordt hij gepest omdat hij een dromer is die verhalen verzint en slecht is in gymnastiek en sport. Op een dag is hij op de vlucht voor een aantal pestkoppen en verschuilt zich in een antiekwinkel. Hij komt in gesprek met de eigenaar die een intrigerend boek aan het lezen is. Bij het verlaten van de winkel steelt Bastiaan het boek. Hij gaat naar school maar is te laat en begint het boek op de zolder van de school te lezen. Gaandeweg wordt het hem duidelijk dat hij zelf deel uitmaakt van het verhaal over een parallelle wereld genaamd Fantásië. Hij wordt verwacht en op een zeker moment beland hij in Fantásië. Dat is het begin van een avontuur waarin hij door het geven van een nieuwe naam aan de keizerin, Fantásië kan redden van het niets en waarin hij ook leert wat hij moet doen in zijn bestaande wereld.

Het boek is erg mooi geschreven, vormgegeven en geïllustreerd. Het is in twee kleuren geschreven: rood voor wat in Bastiaans wereld gebeurt en blauw voor wat in Fantásië gebeurt. Naast avonturenroman is het een roman met interessante filosofische ideeën over bijvoorbeeld fantasie en kind zijn.

Toen de film in 1984 uitkwam was Michael Ende daar fel op tegen. Hij heeft het zelfs geprobeerd tegen te houden omdat het naar zijn mening teveel afweek van het boek en hij had gelijk. De eerste film beslaat slechts een deel van het boek en is er een slap aftreksel van. Daarna kwamen er nog twee vervolgfilms uit die ook niet geweldig zijn. Alle drie films negeren de uiteindelijke betekenis van het boek totaal en hebben alleen het avonturenelement overgenomen.

Het boek is echter een sterke aanrader en ik ben van plan om het weer eens te gaan herlezen. Wat dat betreft blijkt de oorwurm ook een boekenwurm te zijn.

Het Oneindige Verhaal is op papier te koop in de reguliere boekhandel en ook te koop als e-boek. In dit geval kan ik de papieren versie boven de e-versie aanraden vanwege de verschillende kleuren tekst en de illustraties.

Het oneindige verhaal

Mijn versie van het boek. Nieuwere versies hebben een andere kafttekening.

Filmmuziek.

Iets waar de meeste filmliefhebbers het wel over eens kunnen zijn is dat filmmuziek een belangrijk bestanddeel is van veel films waarbij het scènes zelfs naar een hoger plan kan tillen. Daarnaast kan filmmuziek zeer herkenbaar zijn en weet je soms bij het horen van het hoofdthema direct over welke film het gaat.

Sommige filmmakers maken gebruik van bestaande popsongs of bestaande klassieke werken. Dit heeft een aantal bands een aardige (financiële) injectie gegeven en waarnodig de bekendheid van de band of het nummer flink vergroot. Zelfs onze eigen Golden Earring had baat bij het gebruik van Radar Love in een van de Wayne’s World films. Je kunt dan wat mij betreft niet echt van een herkenbare filmscore spreken. Anders wordt het bijvoorbeeld met Tubular Bells van Mike Oldfield. Deze muziek was welliswaar niet voor The Exorcist geschreven maar de inleiding van dit stuk is wel erg herkenbaar als het muzikale hoofdthema in de film.

Natuurlijk wordt er ook veel originele, herkenbare filmmuziek geschreven. Een van de bekendste filmmuziekcomponisten is Ennio Morricone (door mij ook wel eens oneerbiedig Ennio Macaroni genoemd vanwege zijn link met de spaghettiwesterns), waarvan ik vooral de muziek die hij bij Cinema Paradiso heeft gecomponeerd erg mooi vind.

Bij sommige films is het niet eens zozeer een melodieus hoofdthema dat in het geheugen gegrift blijft zoals we bijvoorbeeld bij Jaws (John Williams) zien. De filmmuziek representeerde de haai hier op veel momenten, hetgeen een enorme spanning opriep want je wist nooit wanneer je de haai echt zou zien. Je hoort af en toe mensen nog “duh, duh, duh, duh, duhduhduhduhduhduh, enz. doen om de haaienmuziek in Jaws te imiteren voor wat voor reden dan ook.

Van de bekende muzikale hoofdthema’s is Star Wars (John Williams) een goed voorbeeld, vooral omdat er meerdere films gemaakt zijn die allemaal hetzelfde hoofdthema voeren. Filmmuziek waarvan naast een bekend hoofdthema de muziek los van de film ook nog erg mooi is om naar te luisteren is bijvoorbeeld Howard Shore’s muziek van Lord of the Rings en John Williams’ Harry Potter muziek. Er is meer filmmuziek dat de moeite waard is om zonder film naar te luisteren zoals de muziek die Jan Tiersen voor de film Amelié schreef, de muziek die Mancini schreef voor The Pink Panter (met ook een zeer herkenbaar thema) en de filmmuziek van de Duitse componist Hans Zimmer (The Lion King, Pirates of the Carribean, enz), die de voorkeur geeft aan sythesizer boven een orkest.

Soms heb je niet eens een film nodig om een filmgevoel bij muziek te krijgen. Het mooie is dat bijvoorbeeld sommige klassieke muziek zo filmisch is, dat wanneer je er met gesloten ogen naar luistert, er zich een hele film in je hoofd afspeelt. Dat gebeurt bij mij met bijvoorbeeld de symfonische gedichten van Arnold Bax, De Slovak Suite van Vítězslav Novák, Má vlast van Bedřich Smetana, A London Symphony van Ralph Vaughan Williams, Daphnis et Chloe Suite No. 2 van Maurice Ravel, verschillende orchestrale werken van Claude Debussy en zo kunnen we nog wel een tijdje doorgaan. Vaak heeft de componist de stukken wel een verhaal meegegeven, maar het is gemakkelijk genoeg om er je eigen verhaal van te maken. Zo wordt je een concert lang filmregisseur in je eigen hoofd.

D-Day, 75 jaar geleden.

Het is vandaag, 6 juni 2019, 75 jaar geleden dat operatie Overlord, beter bekend als D-Day plaatsvond. Vandaar dat ik maar weer eens een boek ben gaan lezen over deze complexe operatie, die de grootste operatie in de militaire geschiedenis heet te zijn.

Een vraag die veel werd en wordt gesteld is waarom de invasie pas in 1944 plaatsvond. Stalin drong er al in 1942 op aan om de druk op het oostelijk front te verlichten. De Britten waren echter lang niet klaar voor een invasie vanwege gebrek aan materieel en getrainde manschappen, ze hadden de Amerikanen nodig die op dat moment hun handen vol hadden aan de oorlog met de Japanners in de Pacific en er was veel planning nodig om een invasie goed te laten verlopen. Het Franse verzet moest worden gemobiliseerd om informatie door te spelen over troepen en kustgeschut, manschappen moesten worden getraind, de invasiestranden moesten worden verkend om te zien of er tanks aan land konden gaan, de geallieerde leiders moesten het eens zijn over de aanpak, gedetailleerde plannen moesten worden opgesteld voor alle legeronderdelen, enzovoort. Ondanks de verschillen van mening tussen Eisenhower, Churchill, Montgomery en de Gaulle,  kwam het uiteindelijk toch tot een gezamelijke aanpak onder leiding van Eisenhower.

De invasie die eerst gepland was op 5 juni, ging bijna niet door vanwege het slechte weer maar de meteorologische dienst had aangegeven dat vanaf de 5e juni het weer iets beter zou zijn. Het werd een dag uitgesteld. Had het langer uitgesteld moeten worden dan was er pas in juli weer een kans geweest met alle gevolgen van dien zoals het verliezen van het verrassingselement en het bij elkaar houden van een grote troepenmacht in zo’n klein gebied. Gelukkig ging het op 6 juni door.

Ondanks de zware verliezen mag D-Day een succes genoemd worden. Mede door het slechte weer de dag ervoor verwachtten de nazi’s geen landingen en hadden geen bootpatrouilles op zee. Daardoor bleef de invasiemacht lang onopgemerkt. De geallieerden hadden al de overhand in de lucht dus veel van het succes was afhankelijk van hoe snel de troepen van de stranden af konden komen en of de luchtlandingstroepen de bruggen en toegangswegen konden zekerstellen. Het Franse verzet had telefoonlijnen doorgesneden en andere sabotage gepleegd, de luchtmacht had aanvoerwegen en spoorwegen gebombardeerd waardoor de invasietroepen meer tijd hadden. Hulp kwam soms ook uit onverwachte hoek en je kunt stellen dat Hitler zelf heeft geholpen. Als een echte dictator vertrouwde hij het opperbevel niet toe aan zijn generaals, liet het bevel over eenheden gefragementeerd en hield alle touwtjes zelf in handen. Er mochten geen troepen verplaatst worden zonder zijn goedkeuring. Daardoor kwamen pantserdivisies veel te laat naar het invasiegebied toe en hadden de geallieerde troepen een betere kans. De gevechten in de weken na D-Day kostten echter veel te veel slachtoffers door verkeerde keuzes van de generaals terwijl het weer ook niet meewerkte waardoor luchtsteun soms onmogelijk was.

Er zijn flink wat boeken over D-Day verschenen waarvan een aantal ook naar het Nederlands zijn vertaald. Ik vind zelf The Longest Day van Cornelius Ryan erg de moeite waard. Dit boek verscheen al in 1959 en werd in 1962 verfilmd. Het wordt wel gezegd dat het soms beter is wanneer er wat meer afstand is tussen de gebeurtenis en de geschiedschrijving en vaak klopt dat ook wel. In The Longest Day komen wat onnauwkeurigheden en mythes voor die in latere boeken over D-Day werden herroepen. The Longest Day is wel een van de toegankelijkste boeken over D-Day. Tot nu toe vind ik Overlord van Max Hastings echter nog het beste boek. Zijn schrijfstijl vind ik prettig en het boek is erg compleet met veel ooggetuigenverslagen, illustraties, kaarten en een uitgebreide appendix. Het is naast The Longest Day (dat ik al eens heb herlezen) het enige boek over de slag om Normandië dat ik zeker zal herlezen. Ik lees al deze boeken in het Engels en voorzover ik weet is het boek van Hastings niet naar het Nederlands vertaald.  Momenteel ben ik bezig in D-Day van Antony Beevor, een vrij jong boek (uitgegeven in 2009) waarvoor Beevor nieuw materiaal uit een aantal archieven heeft geraadpleegd die door anderen niet zijn geraadpleegd. Daarnaast weet Beevor het verhaal op een levendige manier te vertellen mede door het volgen van verschillende personen. De boeken van Ambrose (auteur van Band of Brothers) worden ook erg hoog aangeslagen en zijn naar het Nederlands vertaald.

Antony Beevor – D-Day : van de landing in Normandië tot de bevrijding van Parijs.(2009)

Stephen E. Ambrose – D-Day 6 Juni 1944 (1994)

Stephen E. Ambrose – Van D-Day tot Berlijn.

Max Hastings – Overlord (1984)

Cornelius Ryan – De Langste Dag (The Longest Day) (1959).

Operatie Overlord was een complexe en hier en daar chaotische operatie die veel levens heeft gekost maar uiteindelijk heeft geleid tot de bevrijding van Europa en de val van het nazi-regime. Veel mannen en vrouwen hebben hun leven gegeven om dit mogelijk te maken. Dit mogen we nooit vergeten.

Overlord

De invasie van Normandië, 6 juni 1944. (Photo: historyonthenet.com)

Blauwe schermen onrust.

Heeft het RIVM nu echt niets beters te doen dan een onderzoek naar iets dat al lang bekend is? Vanochtend verkondigde Susan Jansen, hoofd gezondheidsbescherming, met een ernstig gezicht  voor de NOS camera dat het staren naar een blauw scherm ’s avonds voor het slapen gaan toch echt niet goed is en dat jongeren er minder slaaprust door krijgen en overdag meer vermoeid zijn. Ja, dat wisten we dus al. Daar is al vaker onderzoek naar gedaan. Niet altijd correct zoals een slecht, onnauwkeurig onderzoek naar het effect van e-readers in Amerika liet zien, maar toch: hier wordt al jaren bericht over gedaan. Daarom hebben de meeste telefoons, computers en tablets tegenwoordig een nachtstand waarbij het licht gedimd wordt en van blauw naar oranje verandert. Aan de kleur van het licht hoeft het dus niet te liggen. Gewoon automatisch de nachtstand instellen.

Zelfs met warm licht geldt echter dat wanneer iemand ’s avonds voor het slapen gaan nog allerlei drukke informatie tot zich neemt of spelletjes speelt waardoor er onrust in het hoofd ontstaat, dat niet slaapbevorderend werkt. Je moet gewoon een uur voor het slapen gaan iets ontspannends doen. Ik weet het van mezelf. Wanneer ik eens na een laat feestje m’n bed inrolde en toch best wel moe besloot om niet even rustig te zitten, bleek dat ik toch moeilijk kon slapen omdat er steeds maar beelden en gesprekken door mijn hoofd bleven gaan en het ondanks het late tijdstip waarschijnlijk beter was geweest wanneer ik nog een goed half uur of langer de tijd had genomen om alle drukte in mijn hoofd te laten wegvloeien.

Eigenlijk doe ik dat iedere dag: de drukte in mijn hoofd kwijtraken voor het slapen gaan. Dit doe ik door meestal in bed een boek te pakken, of mijn e-reader en in ieder geval een half uur fictie te lezen. Nu niet beginnen te zeuren over het licht van mijn e-reader want dat heb ik op een zeer lage stand (een helderheid van 6 tot 8 %) en een e-reader heeft randverlichting en geen achtergrondverlichting zoals een telefoon of tablet. Nu heb ik tegenwoordig maar een uur of 6 slaap nodig en of ik nu vroeg of laat naar bed ga, na 6 uur ben ik gewoon weer wakker. Door de week lig ik er vaak redelijk vroeg in en ben dan om een uur of 5 al weer wakker, geef de katten hun ontbijt en ga dan weer naar bed met mijn boek. Dan heb ik bijna twee uur tijd om te lezen. Heerlijk. Dat is meteen een goed begin van de dag. Tijdens mijn lunchpauze lees ik meestal ook een half uur. Dan ga ik weer fris de middag in.

Het voordeel van lezen wordt mijns inziens sterk onderschat en daar zou meer aandacht voor moeten zijn want het lezen van fictie is een geweldige manier om rust in het hoofd te creeëren, zowel voor jongeren als ouderen. Het klinkt misschien tegenstrijdig omdat lezen ook een hersenactiviteit is en je soms mensen hoort over hoe ze de halve nacht in een spannend boek zijn blijven lezen, maar het is bewezen dat het lezen van fictie, zelfs als het slechts een kwartier is, onstspannender werkt dan het gewoon zitten met een kop thee voor de neus. Door je te verplaatsen in een fictieve wereld komen je hersenen op andere gedachten. Je vergeet je dagelijkse beslommeringen en alle dagelijkse indrukken. Een strandwandeling is goed om al lopend je gedachten op een rijtje te zetten en fysiek even lekker uit te waaien maar het lezen van een boek is als een strandwandeling voor je hersenen. Even al die zorgen wissen in een andere geestelijke omgeving. Dat moet maar eens op het journaal.

Het herinneren.

Af en toe vind ik het leuk om op YouTube of op een tv-zender naar beelden uit de tijd van mijn jeugd te kijken. Begrijp me goed, ik ben niet iemand van “vroeger was alles beter” want ik heb het in het hier en nu goed naar de zin en geniet van alles dat deze tijd mij te bieden heeft, maar naarmate je ouder wordt bezit je meer verleden en vind ik terugkijken af en toe wel leuk. Zo was er laatst op de zender ONS een terugblik op de winters van 1977 en 1979. Ik heb gelijk Orla geroepen en haar verteld over die winters met behulp van de beelden op de tv omdat het een stuk is van mijn Nederlands verleden dat zij niet kent en waar ik haar op deze manier een beetje deelgenoot van kon maken.

Nu ben ik in het jaar 1963 geboren en veel van de tijd waarin ik ben opgegroeid is op beeld vastgelegd en bewaard gebleven. Dat heeft voordelen en nadelen. De voordelen lijken mij duidelijk: je kunt tegenwoordig via een zoekmachine op het internet veel archiefmateriaal terugvinden uit de jaren 60, 70 en 80. Een van de nadelen is dat je je soms afvraagt of een herinnering wel echt je eigen herinnering is of dat het uit het collectieve potje beeldmateriaal stamt waar je af en toe flitsen uit zag. Een ander nadeel is dat het beelmateriaal vrij selectief is waardoor het misschien andere, eigen herinneringen verdringt of vervangt.

Jeugdherinneringen zijn sowieso vrij onbetrouwbaar omdat ze gekleurd worden door de tijd, waardoor ze toegevoegde waarde krijgen, aangesterkt of afgezwakt worden of soms een geheel andere lading krijgen. (Zo was die oom die je altijd op zijn schoot trok en uitgebreid uitkietelde, vroeger grappig, maar als volwassene terugkijkend, met het aan het licht gekomen kindermisbruik, een vieze handtastelijke kerel.)

Je herinneringen aan iets van vroeger worden meestal ook vermengd met andere eigen herinneringen of vertelde herinneringen van anderen omdat je nooit volledige herinneringen van een gebeurtenis hebt en je brein de leemtes opvult met geleende herinneringen om het plaatje compleet te maken, waarbij je de gebeurtenis ook nog eens van uit een heel eigen, gefocust perspectief hebt gezien. Daardoor hebben verschillende mensen uit een groep vaak een iets andere herinnering bij dezelfde gebeurtenis, zelfs als ze op dat moment bij elkaar waren.

Als ik tot een definitie van een (jeugd)herinnering zou willen komen dan zou ik zeggen: iedere herinnering is een fragmentopname van een gebeurtenis die je vanuit je eigen focuspunt en interesse hebt bezien en ervaren en die door tijd en absorptie van soortgelijke –  en jouw vertelde ervaringen gekleurd en soms zelfs veranderd kan worden. Misschien is het niet een geheel dekkende definitie maar ik kan er wel tevreden mee zijn.

Mijn herinneringen worden vaak geactiveerd door geuren, geluiden of muziek en woorden. Zo las ik een tijdje terug het boek “Hier kom ik weg” van Annette Maas en bracht het woordje “fiene” (Gronings voor fijn zand) me terug naar mijn kleutertijd waarna er meer herinneringen aan mijn jeugd in Hoogezand volgden (zie de blogpost “de kracht van het woord”)

De geur van rottend riet brengt mij terug naar de kamer van een vroeger vriendinnetje die rieten bloempotten in haar kamer had en een aantal planten met een voetbad had staan. De geur van chloor en pasgemaaid gras brengt me weer terug naar het openluchtzwembad waar ik veel zomers doorbracht. De afgelopen jaren heb ik het niet gedaan maar afgelopen oud-en-nieuw heb ik weer eens oliebollen gebakken. De geur en smaak brachten ook herinneringen naar boven. Het nummer “I am sailing” van Rod Stewart brengt mij weer terug op de dansvloer met het meisje waar ik destijds verliefd op was. Zo maak ik met behulp van geuren, smaken, beelden, muziek en woorden mijn eigen terugblikken, gekleurd of niet. Er is tenslotte niets mis met deels fictieve herinneringen, zolang je er zelf maar schik in hebt en niet teveel waarde aan de echtheid hecht.

De herinneringen die me ongemakkelijk maken of waarbij ik me het hoofd breek over hoe het ook nog maar zat vergeet ik liever. Die vallen onder de noemer frictie.